Nieuws/ontwikkelingen

Faillisement en het buitenland

17 juli 2019

Avinci Advocaten krijgt regelmatig mensen op kantoor die benadeeld worden door een zakenpartij zodat we conservatoir beslag moeten leggen of in het ergste geval, een faillissement moeten aanvragen. Dit betekent dat bijvoorbeeld een bankrekening wordt bevroren of dat bepaalde vermogensbestanddelen veilig gesteld worden zodat jij als eerste betaald wordt bij een meningsverschil of conflict.In dit artikel delen we twee praktijkvoorbeelden van een faillissementsprocedure in het buitenland maar ook van een buitenlander in Nederland; interessant om te weten hoe het werkt en wat de verschillen zijn. Faillisement en het buitenland; dit zijn de tips die u moet weten!
Procederen is dus vaak nodig. Een procedure kost echter veel tijd en geld. Het zou dus een flinke tegenvaller zijn wanneer na 1,5 a 2 jaar procederen blijkt dat de debiteur helemaal geen verhaal biedt. Om dat te voorkomen kan voordat de procedure gestart wordt, aan de voorzieningenrechter worden gevraagd of hij verlof verleent tot het leggen van conservatoir beslag. In Nederland  wordt dit verlof vrij gemakkelijk -zonder dat er wederhoor plaatsvindt- verkregen. De deurwaarder kan alsdan met dit verlof in de hand bewarende maatregelen nemen. Dit houdt in dat goederen en gelden niet direct mogen worden verkocht dan wel mogen worden geïncasseerd, maar dat ze moeten worden ‘bevroren’ zolang de procedure loopt. De debiteur mag dan dus niet aan zijn geld komen, geen debiteuren incasseren of geen goederen verkopen (afhankelijk van het gelegde beslag). In ieder land gelden andere regels, Avinci Advocaten kent die regels of werkt nauw samen met een handelspartner die desbetreffende wetten juridisch uitlegt zodat we doeltreffende stappen kunnen ondernemen.
Van deze conservatoire maatregel kan een beslagen debiteur erg veel last hebben. Zo kan het volledige saldo van zijn bankrekening bevroren worden, kan het een (grote) klant van de debiteur verboden worden aan de debiteur te betalen en kan voorkomen worden dat onroerend goed wordt verkocht.
Praktijkvoorbeeld I:
Hoger beroep tegen faillietverklaring
In een zaak die recent werd beoordeeld door het gerechtshof Den Haag lag in een hoger beroep tegen een faillietverklaring de vraag voor of de rechtbank gerechtvaardigd het faillissement had kunnen uitspreken van een taxibedrijf opgericht naar Engels recht. Deze vennootschap was ruim voor faillissement al uitgeschreven uit de Companies House als gevolg van een ‘compulsory strike-off’, een uitschrijving nadat niet werd voldaan aan in het Verenigd Koninkrijk bestaande verplichtingen. De vennootschap was daarmee naar Engels recht opgehouden te bestaan en van een vereffening was niet gebleken.
Nederlandse rechter bevoegd faillissement uit te spreken?
Het hof oordeelt allereerst dat een Nederlandse rechter bevoegd is en de vraag of de rechtbank het faillissement kon uitspreken op grond van de Europese Insolventieverordening naar Nederlands recht kan worden beantwoord. In algemene zin overweegt het hof dat op grond van het Nederlandse recht een ontbonden rechtspersoon die naar het oordeel van haar bestuur geen baten meer heeft en is opgehouden te bestaan op verzoek van een schuldeiser die meent dat er nog wel baten zijn failliet kan worden verklaard.
Advocaat insolventierecht bij faillissementen
Het hof concludeert dat e.e.a. niet anders is voor een vennootschap opgericht naar Engels recht, waarvan het centrum van de voornaamste belangen in Nederland ligt. Ook als deze vennootschap al is ontbonden door een compulsory strike-off. Met name nu is gebleken van meerdere schuldeisers, de vennootschap is opgehouden te betalen en een bate niet kan worden uitgesloten. Een bate zou kunnen bestaan uit een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid en/of het feit dat de aandelen niet zijn volgestort. Het hof houdt het faillissementsvonnis dan ook in stand.
Praktijkvoorbeeld II:
Een ander praktijkvoorbeeld wordt een recente uitspraak behandeld van de kort geding rechter van de Rechtbank Rotterdam.

Het inhoudelijke geschil betreft een erfrechtskwestie: In Suriname hebben acht kinderen van een overleden man beslag gelegd op onroerend goed dat door vererving in eigendom toebehoorde aan de weduwe van de man. De kinderen hebben op grond van het erfrecht en het testament van de man een geldvordering op de weduwe die pas opeisbaar wordt op het moment dat zij hertrouwt of komt te overlijden. De weduwe heeft het onroerend goed verkocht aan een stichting waar de weduwe (indirecte) betrokkenheid bij zou hebben. Volgens de kinderen is deze verkoop paulianeus omdat deze is geschied tegen een veel te lage prijs en met het doel om onroerend goed aan het (toekomstige) verhaal van de kinderen te onttrekken.
De kinderen hebben de voorzieningenrechter in Paramaribo verzocht om conservatoir beslag te mogen leggen op het onroerend goed. Dit verlof is toegewezen en het beslag is gelegd. Omdat zowel de weduwe, als 7 van de 8 kinderen, woonachtig zijn in Nederland, de overleden vader woonachtig was in Nederland en omdat procedures in Suriname erg lang duren, heeft de weduwe ervoor gekozen om aan de Nederlandse kort geding rechter te vragen om de kinderen te veroordelen het beslag op te heffen.
De kinderen hebben vervolgens het verweer gevoerd dat niet de Nederlandse, maar de Surinaamse rechter (internationaal) bevoegd is om te oordelen over een vordering tot opheffing van het Surinaamse beslag. De Nederlandse kort geding rechter gaat hier niet in mee en overweegt als volgt:
Naar Nederlands internationaal privaatrecht geldt als regel dat slechts het gerecht van het land van tenuitvoerlegging bevoegd is om kennis te nemen van een geschil over de tenuitvoerlegging van een gerechtelijke beslissing (zijnde hier: de tenuitvoerlegging van het verlof tot beslaglegging). Dit is een exclusieve bevoegdheid, die voor wat betreft de EU is vastgelegd in artikel 24 lid 5 van de Herschikte EEX-Verordening (Verordening (EU) Nr. 1215/2012). Naar voorlopige oordeel geldt deze regel ook in de verhouding tot Suriname, als regel van ongeschreven Nederlands internationaal privaatrecht.
De vordering van eisers is echter niet: opheffing door de rechter van het conservatoire beslag. De vordering van eisers is: veroordeling van gedaagden om de opheffing van het conservatoire derdenbeslag te bewerkstelligen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Te dien aanzien is de Nederlandse rechter (wel) bevoegd om kennis te nemen van de vordering, nu alle gedaagden in Nederland wonen (vgl. Pres rechtbank Arnhem 24-8-1984, NJ 1986/86). Er kan derhalve kennis worden genomen van de vordering.”
De Nederlandse kort geding rechter acht zich aldus bevoegd. Met dien verstande, dat de rechter zelf het beslag niet als opgeheven zal verklaren, maar dat hij in de mogelijkheid is om de kinderen te veroordelen het beslag te doen opheffen.
Deze gedachte van de voorzieningenrechter in Rotterdam is in lijn met een oordeel van 1 juli 2008 van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Zwolle-Lelystad , waar de voorzieningenrechter diende te oordelen over zijn bevoegdheid ten aanzien van een in België verleend verlof tot het leggen van beslag. De voorzieningenrechter ging in dit geval nader in op de vraag waarom de vordering tot veroordelen van de beslagleggers tot opheffing van het gelegde beslag niet moet worden gezien als een oordeel over de tenuitvoerlegging van een vonnis, waarvan de EEX-verordening bepaalt dat deze bevoegdheid exclusief toekomt aan de rechter die het vonnis heeft gewezen.
Art. 22, aanhef en onder lid 5 EEX-Vo ziet op geschillen over de tenuitvoerlegging van een beslissing. Onder deze executiegeschillen vallen niet alleen geschillen over executoriale beslagen, maar ook geschillen over conservatoire beslagen. Geschillen over de opheffing van gelegde beslagen vallen daardoor eveneens onder de werking van dit artikel. 
(…) Ten aanzien van vorderingen tot opheffing van een beslag dient echter wel een nuancering aangebracht te worden in dier voege dat er sprake kan zijn van een beslag dat rechtstreeks door het vonnis opgeheven wordt en een beslag dat eerst van de baan is wanneer de gedaagde uitvoering geeft aan de daartoe gegeven veroordeling en tot opheffing van het beslag overgaat. Vonnissen waarin een beslag door de rechter (als executierechter) wordt opgeheven behoren namelijk wel tot het door art. 22, aanhef en onder lid 5 EEX-Vo bestreken toepassingsgebied doch vonnissen die een bevel tot opheffing bevatten niet en behoren daardoor ook niet tot de exclusieve bevoegdheid van de rechter van het land waar het beslag gelegd is.
(…) Nu [de beslagenen –CS] een veroordeling van [de beslaglegger – CS]  tot opheffing van het beslag hebben gevorderd, is de Belgische rechter niet exclusief bevoegd om over deze vordering te oordelen.”
In het Surinaamse voorbeeld is de weduwe dus ook bij de Nederlandse kort geding rechter aan het goede adres. Er kleeft één maar aan. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt nu gebaseerd op het feit dat de gedaagden (de beslag leggende kinderen) woonachtig zijn in Nederland. Dit geldt voor een van de acht beslagleggers niet. De Nederlandse rechter is dus niet bevoegd om deze beslaglegger te veroordelen het beslag op te heffen. Dit vormde voor de andere 7 kinderen een argument om te zeggen dat het dus ook niet zinvol zou zijn om hen te veroordelen het beslag op te heffen. Het beslag zou immers toch wel blijven liggen ten gunste van het niet in Nederland woonachtige kind. De voorzieningenrechter ging hier niet in mee. De weduwe zou er namelijk wel belang bij kunnen hebben in die zin, dat zij dan nog maar ten behoeve van één kind (in plaats van 8) vervangende zekerheid hoefde te stellen teneinde het beslag er af te krijgen. De rechter meende dus dat hij wel diende te oordelen over de vordering ten aanzien van de andere 7 kinderen. De rechter oordeelde uiteindelijk overigens met een beroep op artikel 705 Rv dat de vordering van de kinderen, waarvoor beslag werd gelegd, niet summierlijk ondeugdelijk is gebleken. Het verzoek tot opheffing is derhalve afgewezen.
Kortom: als aan de Nederlandse voorzieningenrechter rechtsmacht toekomt doordat bijvoorbeeld de gedaagden in Nederland woonachtig zijn, kunnen de exclusieve bevoegdheidsregels van artikel 22 aanhef en onder lid 5  (herschikte) EEX-Vo aan deze rechtsmacht niet in de weg staan. Met dien verstande dat de vordering zo moet zijn ingesteld dat de beslagleggers worden veroordeeld op het beslag zelf te doen opheffen. De Nederlandse rechter heeft geen bevoegdheid dit zelf (in het vonnis) te doen.

Wilt u nu wel eens weten wat voor u mogelijk is en wat uw kansen van slagen zijn? Maak dan eens een afspraak voor onafhankelijk advies! Avinci Advocaten krijgt veel mensen binnen die nog geld krijgen van een (business)partner maar niet de juiste gang van zaken weten of denken dat er van een kale kip toch niet te plukken valt. Of de relatie liever niet wil verstoren of het niet de moeite waard vindt om jarenlang te procederen.Wij kijken beroepsmatig naar de zaak en beoordelen uw kansen van slagen. Want zou het niet zonde zijn als u als rechtmatige eigenaar tekort wordt gedaan? Maak een afspraak en laat beoordelen wat u kansen zijn en of u in uw recht staat zodat u zeker weet dat u er alles aan gedaan heeft en in uw recht staat!

Maar ook bedrijven die al lange tijd nog geld van hun klanten krijgen waar het maar niet wel lukken? Late betalingen, voortdurende vorderingen of incasso’s die maar niet willen vlotten? Laat het aan ons over, wij zorgen dat u uw geld op uw rekening krijgt, met behoud van een goede relatie. Door een eerlijke, fair policy aanpak.

Incasso voor bedrijven, no cure, less pay
Avinci Advocaten maakt het verschil en legt beslag.
Avinci Advocaten heeft jarenlange ervaring met het innen van openstaande facturen. Bedrijven die meerdere incassozaken per jaar hebben, doen er goed aan naar onze abonnementen te kijken vanwege de aantrekkelijke ‘no cure no pay’ aanbieding. Ook zijn wij in staat om tegen een vast tarief snel beslag te leggen onder een wanbetaler.
Wij kunnen voor u:
– Openstaande facturen innen
– Conservatoir beslag leggen
– Faillisement aanvragen
Incasso voor particulieren:
Voor particulieren heeft Avinci Advocaten een bijzondere tariefstelling, namelijk op basis van ‘no cure less pay’. Dit houdt in wij tegen een vast basisbedrag aan de slag gaan. Over het behaalde resultaat berekenen wij aanvullend een percentage. U maakt dus alleen extra kosten ingeval van een gunstige afloop. Uiteraard moet uw zaak daarvoor wel geschikt zijn. Wij beoordelen graag gratis en vrijblijvend uw zaak.
Avinci Advocaten deelt met u het risico door de werkwijzen van ‘no cure no pay’ of ‘no cure less pay’. Uw zaak wordt daarom alleen in behandeling genomen als Avinci Advocaten serieus te nemen slagingskansen ziet. Ten overvloede: ons slagingspercentage is zeer hoog.

Kosten weten?

Speciaal hiervoor heeft Avinci Advocaten Dutch Debts Incassobureau opgericht.

Dutch-Debts is a full service incasso bureau onder leiding van Avinci Advocaten. Door jarenlange ervaring & know how hebben we onze sporen verdiend en een doeltreffend incasso traject ontwikkeld. Dutch Debts zorgt er voor dat uw geld weer zo snel mogelijk op uw rekening staat en heeft daar verschillende methodes voor. Duidelijk, transparante tarieven zodat u weet waar u aan toe bent. Neem een kijkje op de site Dutch Debts! of bel ons voor meer informatie.

Bron: Faillisement en het buitenland Via Nederlandse rechter buitenlands gelegd beslag opheffen: Recht.nl, Rechtspraak, Dutch Debts, Dirkzwager Advocatuur, AMS Advocaten, Recht.nl Juridisch Platform.

Faillisement en het buitenland