Nieuws & advies

Kan een betalingsregeling een faillissement voorkomen? Dit zegt de rechter

13 september 2026

Een schuldenaar die zijn schuldeisers een betalingsregeling aanbiedt, kan daarmee niet zonder meer een faillissementsaanvraag voorkomen. Dat blijkt uit een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 25 maart 2026. In deze zaak erkende de schuldenaar de openstaande vorderingen, maar stelde hij dat hij maandelijks kon aflossen en dat een faillissement van zijn onderneming onnodig en disproportioneel zou zijn. De rechtbank dacht daar anders over.

De uitspraak laat zien hoe streng de rechter kijkt naar de vraag of iemand daadwerkelijk verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Ook maakt de zaak duidelijk dat een faillissementsaanvraag niet zonder meer misbruik van recht is wanneer een onderneming weinig bezittingen lijkt te hebben.

Twee schuldeisers vragen faillissement aan

In deze zaak hadden twee schuldeisers een opeisbare vordering op dezelfde schuldenaar.

De eerste schuldeiser beschikte over een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis en had een vordering van € 1.121,60. De tweede schuldeiser had op grond van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest een vordering van € 10.569,01.

De schuldenaar had deze vorderingen niet betaald, ondanks herhaalde verzoeken.

Daarmee lag een belangrijk onderdeel van een faillissementsaanvraag al vast: er waren meerdere schuldeisers met opeisbare vorderingen.

De schuldenaar betwistte de vorderingen bovendien niet.

De schuldenaar stelt een betalingsregeling voor

De schuldenaar wilde echter voorkomen dat zijn eenmanszaak failliet zou gaan. Hij stelde daarom een betalingsregeling voor.

Hij wilde maandelijks:

  • € 500 betalen ter aflossing van de schuld;
  • € 200 betalen voor de deurwaarderskosten.

Volgens hem was dit het bedrag dat hij financieel kon dragen. Uit zijn eigen financiële overzicht zou nog een beperkte operationele buffer van ongeveer € 711,50 per maand overblijven.

De schuldeisers gingen niet akkoord met deze betalingsregeling.

De schuldenaar stelde vervolgens dat een faillissement een veel te zwaar middel was. Hij zou een bloeiende onderneming hebben en een faillissement zou volgens hem tot onherstelbare schade leiden.

Ook voerde hij aan dat er geen sprake was van daadwerkelijke insolventie en dat de faillissementsaanvraag daarom niet gerechtvaardigd was.

Een schuldeiser hoeft niet akkoord te gaan met een betalingsregeling

Dat argument hielp de schuldenaar niet.

De rechtbank overwoog dat een betalingsregeling alleen tot stand komt als beide partijen daarmee instemmen. Een schuldenaar kan zijn schuldeiser niet eenzijdig een betalingsregeling opleggen.

De rechtbank verwijst daarbij naar artikel 6:29 van het Burgerlijk Wetboek. Uitgangspunt is dat een schuldenaar niet kan bepalen dat een geldschuld in termijnen wordt betaald wanneer de schuldeiser daar niet mee instemt.

Dat is in faillissementszaken een belangrijk punt.

Het enkele feit dat een schuldenaar zegt: “Ik kan het wel betalen, maar alleen in termijnen”, betekent dus niet dat daarmee de faillissementsaanvraag van tafel is.

In deze zaak had de schuldenaar bovendien zelf verklaard dat hij de vorderingen niet binnen afzienbare tijd volledig kon voldoen.

Volgens de rechtbank was daarmee voldoende gebleken dat hij had opgehouden te betalen.

Wanneer kan iemand failliet worden verklaard?

De Faillissementswet stelt daarvoor een aantal voorwaarden.

Op grond van artikel 6 van de Faillissementswet moet summierlijk blijken dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. Wanneer het faillissement wordt aangevraagd door een schuldeiser, moet daarnaast het bestaan van diens vordering voldoende aannemelijk zijn.

In de praktijk is daarbij vooral van belang of sprake is van:

  1. een opeisbare vordering;
  2. meerdere schuldeisers;
  3. omstandigheden waaruit blijkt dat de schuldenaar niet meer aan zijn betalingsverplichtingen voldoet.

In deze zaak waren er twee schuldeisers met opeisbare vorderingen. De schuldenaar erkende bovendien beide vorderingen.

Daarmee was aan het beoordelingskader voldaan.

Maar wat als de onderneming nauwelijks bezittingen heeft?

De schuldenaar voerde nog een ander argument aan.

Volgens hem had zijn onderneming geen substantiële bezittingen. Een faillissement zou daarom niets opleveren voor de schuldeisers en alleen maar grote schade veroorzaken aan zijn onderneming.

Ook dat argument overtuigde de rechtbank niet.

Een faillissementsprocedure heeft namelijk mede tot doel om door een curator te laten onderzoeken of er toch vermogen of andere verhaalsmogelijkheden aanwezig zijn.

Dat er op voorhand weinig of geen baten lijken te zijn, betekent daarom niet automatisch dat een faillissementsaanvraag moet worden afgewezen.

Een faillissement kan bijvoorbeeld worden opgeheven wegens gebrek aan baten wanneer uiteindelijk blijkt dat er onvoldoende vermogen is om de faillissementskosten te voldoen. Maar dat is iets anders dan vooraf vaststellen dat een faillissementsprocedure helemaal niet mag worden geopend.

De bankafschriften spelen een belangrijke rol

In deze zaak kwam bovendien een opvallend detail naar voren.

Uit de door de schuldenaar overgelegde bankafschriften bleek dat op zijn zakelijke rekening tussen 1 januari en 10 maart 2026 € 25.435,41 was binnengekomen.

Van dat bedrag had hij € 18.690 overgemaakt naar zijn privérekening.

De schuldenaar verklaarde dat hij zijn zakelijke banksaldo bewust laag hield om te voorkomen dat schuldeisers beslag zouden leggen.

Dat werkte hier juist tegen hem.

De rechtbank stelde vast dat de onderneming kennelijk gewoon inkomsten genereerde en dat de schuldenaar bovendien maatregelen nam om te voorkomen dat schuldeisers zich op het aanwezige saldo konden verhalen.

Daarom hadden de schuldeisers volgens de rechtbank een gerechtvaardigd belang bij het aanvragen van het faillissement.

Faillissement als incassomiddel

Een faillissementsaanvraag is niet uitsluitend bedoeld voor situaties waarin een onderneming definitief ten onder is gegaan.

Ook een schuldeiser die betaling van een opeisbare vordering probeert af te dwingen, kan een faillissementsverzoek indienen. De rechtbank benadrukt in deze zaak dat incassering van een vordering via een faillissementsprocedure op zichzelf een legitiem doel is.

Dat betekent overigens niet dat een faillissementsaanvraag altijd kan worden gebruikt als drukmiddel. Er kan sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, bijvoorbeeld wanneer duidelijk is dat er niets te verhalen valt en de aanvrager geen gerechtvaardigd belang heeft.

Daarvan was hier volgens de rechtbank echter geen sprake.

Wat betekent deze uitspraak voor ondernemers?

Deze uitspraak is vooral relevant voor ondernemers die te maken hebben met betalingsproblemen en een faillissementsaanvraag van een schuldeiser.

Een voorstel voor een betalingsregeling kan een goede manier zijn om een conflict op te lossen, maar het is geen recht op uitstel van betaling.

Als een schuldeiser niet instemt met het voorstel, blijft de oorspronkelijke opeisbare schuld bestaan. Kan de schuldenaar deze niet binnen afzienbare tijd betalen en zijn er meerdere schuldeisers, dan kan een faillissement in beeld komen.

Ook het argument dat een onderneming “goed draait” is op zichzelf onvoldoende. De vraag is niet alleen hoeveel omzet er wordt gemaakt, maar vooral of opeisbare schulden daadwerkelijk worden betaald.

De belangrijkste lessen uit deze uitspraak

1. Een betalingsregeling moet worden overeengekomen.
Een schuldenaar kan een schuldeiser niet eenzijdig verplichten om een schuld in termijnen te accepteren.

2. Meerdere schuldeisers kunnen voldoende zijn voor pluraliteit.
Wanneer verschillende schuldeisers opeisbare vorderingen hebben, kan daarmee aan een belangrijk vereiste voor faillietverklaring zijn voldaan.

3. Een lopende onderneming biedt geen bescherming tegen faillissement.
Ook een onderneming met inkomsten en terugkerende klanten kan failliet worden verklaard als opeisbare schulden niet worden betaald.

4. Een lege of kleine boedel betekent niet automatisch dat een faillissementsaanvraag moet worden afgewezen.
De curator kan juist onderzoeken of er vermogen of verhaalsmogelijkheden zijn.

5. Het bewust laag houden van een banksaldo kan averechts werken.
In deze zaak droeg de verklaring dat geld naar de privérekening werd overgemaakt om beslag te voorkomen juist bij aan het oordeel dat de schuldeisers een gerechtvaardigd belang hadden bij het faillissementsverzoek.

Tot slot

Deze uitspraak laat zien dat een faillissementsprocedure soms sneller dichterbij komt dan een ondernemer denkt. Het hebben van inkomsten, klanten of een levensvatbare onderneming is niet voldoende wanneer opeisbare schulden onbetaald blijven.

Advies van mr. Arthur Hansen

Een betalingsregeling is geen garantie dat een faillissement wordt voorkomen. Wie een faillissementsaanvraag ontvangt, moet daarom niet afwachten tot de zitting, maar direct beoordelen of de vordering klopt, welke schuldeisers er zijn en of een oplossing nog mogelijk is.

Mr. Arthur Hansen: “Een betalingsvoorstel kan een goede manier zijn om een faillissement te voorkomen, maar een schuldeiser hoeft daar niet mee akkoord te gaan. Zeker wanneer er meerdere schuldeisers zijn en opeisbare schulden onbetaald blijven, is snelheid essentieel. Wacht daarom niet af, maar laat direct beoordelen welke mogelijkheden er zijn om het faillissement te voorkomen of, als dat niet meer mogelijk is, de gevolgen ervan zo goed mogelijk te beperken.”

Heeft u vragen over een faillissementsaanvraag?

Heeft u een faillissementsaanvraag ontvangen, wordt u met een faillissement bedreigd of heeft u te maken met een schuldenaar die niet betaalt? Laat uw situatie tijdig juridisch beoordelen. Een faillissementsprocedure kent korte termijnen en kan ingrijpende gevolgen hebben voor uw onderneming.

AVINCI advocaten adviseert ondernemers en bestuurders over faillissement, schulden, incasso en ondernemingsrecht.

Neem contact op

AVINCI advocaten
Mr. Arthur Hansen

Bel of neem contact met ons op voor een vrijblijvend eerste overleg.

Wie een faillissementsaanvraag ontvangt, doet er daarom verstandig aan niet alleen naar de hoogte van de schuld te kijken, maar direct het volledige financiële en juridische plaatje te beoordelen: welke schulden zijn opeisbaar, hoeveel schuldeisers zijn er, welke betalingsmogelijkheden bestaan er en kan een regeling daadwerkelijk worden overeengekomen?

Een betalingsvoorstel kan een faillissement voorkomen maar alleen wanneer de schuldeiser daarin meegaat.

Bron: Rechtbank Rotterdam, 25 maart 2026, insolventiezaak. Deze blog is een algemene juridische toelichting en geen individueel juridisch advies.